Presentatie rapport over Joods onroerend goed in Rijswijk tijdens en na Tweede Wereldoorlog
Op vrijdag 27 februari werd het rapport getiteld “De houding van de gemeente Rijswijk ten aanzien van de omgang met Joods onroerend goed tijdens en na de Tweede Wereldoorlog” officieel gepresenteerd aan het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk. Deze belangrijke gebeurtenis markeerde een stap in het proces van erkenning en inzicht in een pijnlijke periode uit onze geschiedenis.
Aanleiding voor het onderzoek
De gemeenteraad van Rijswijk had op 23 mei 2024 unaniem ingestemd met de motie van GroenLinks, waarin werd opgeroepen tot een grondig onderzoek naar het geroofde Joodse onroerend goed in Rijswijk tijdens de oorlogsjaren. Dit besluit onderstreept het belang van transparantie en het herstel van het collectieve geheugen.
Uitvoering van het onderzoek
Het onderzoek werd uitgevoerd door Anton van Rennsen, een toegewijd onderzoeker die met grote zorg en respect te werk ging. Volgens hem is het doen van zo’n onderzoek vooral een kwestie van erkenning en het geven van een stem aan degenen die geleden hebben. “Het gaat om het erkennen van het leed dat de Joodse gemeenschap en hun nabestaanden tijdens de oorlog hebben ondergaan,” aldus Van Rennsen.
Tijdens het onderzoek werden tienduizend documenten doorgenomen en vele foto’s verzameld. In kaart werd gebracht welke Joodse Rijswijkers eigenaar waren geweest van woningen in de gemeente en waar deze woningen zich bevinden. In totaal werden 104 woningen gevonden, eigendom van 62 Joodse Nederlanders, van wie 31 uit Rijswijk en 31 van buiten Rijswijk.
Bevindingen en rechtsherstel
Het onderzoek richtte zich op de betrokkenheid van de gemeente bij de onteigening, aankoop of verkoop van Joods vastgoed tijdens de oorlog. Daarnaast werd gekeken naar het rechtsherstel na de oorlog en of Joodse overlevenden of hun nabestaanden geconfronteerd werden met achterstallige erfpacht of belastingen.
Uit de bevindingen blijkt dat de gemeente Rijswijk niet aantoonbaar betrokken is geweest bij de onteigening of verkoop van Joodse eigendommen, hoewel het niet veel had gescheeld. Wel is gebleken dat alle betrokken en tijdens de oorlog verkochte woningen in Rijswijk na de oorlog het rechtsherstel hebben gekregen dat hun toekwam.
Reactie van de wethouder
Wethouder Mark Wit benadrukte het belang van dit onderzoek. “Het is een bijzonder en kwetsbaar onderwerp,” zei hij. “Wanneer je de verhalen leest, voel je de diepe emoties die erbij horen. Het is belangrijk dat we dit niet slechts als een formeel rapport beschouwen, maar dat we de menselijke verhalen erachter blijven zien. Iedereen heeft familie die de oorlog heeft meegemaakt of er herinneringen aan bewaart. Dit onderzoek maakt dat allemaal heel tastbaar en concreet.”

Hij sprak zijn waardering uit voor de onderzoekers en de begeleidingscommissie voor hun respectvolle en grondige aanpak. “Dit draagt bij aan een beter begrip van een pijnlijke periode in onze lokale geschiedenis en onderstreept het belang van openheid en transparantie,” aldus de wethouder. De steun van de lokale gemeenschap en partners was onmiskenbaar. Zowel de Historische Vereniging Rijswijk als de Joodse Gemeenschap hebben zich hard gemaakt voor dit onderzoek en het belang ervan.
Belang van blijvende herinnering
Indiener van de motie, Maarten van ’t Eind, benadrukte het belang van het zichtbaar maken van het verleden. “Het gaat niet om schuld of de schuldvraag,” stelde hij. “Het gaat om transparantie, verantwoordelijkheid nemen en erkenning voor wat er gebeurd is. Niet alleen voor de slachtoffers, maar ook voor hun nabestaanden.”
Van ’t Eind onderstreepte dat dit soort onderzoeken essentieel zijn om onze liberale democratie te verdedigen. “Het laat zien wat er kan gebeuren als onze instellingen falen en wanneer we meer bezig zijn met ons eigen leed dan met dat van anderen. Het is van groot belang dat we blijven herinneren en leren van onze geschiedenis, vooral in tijden als deze.”
Redactie en foto’s: René Marquard
