Raadsfracties willen duidelijkheid over leerlingenvervoer voor kinderen met autisme in Rijswijk

Raadsfracties willen duidelijkheid over leerlingenvervoer voor kinderen met autisme in Rijswijk

foto: De Eerste Nederlandse Buitenschool Bron: website ENBS

De zorgen over het leerlingenvervoer van Rijswijkse kinderen met autisme naar de Eerste Nederlandse Buitenschool (ENBS) in Den Haag nemen toe. Naar aanleiding van signalen van ouders en recente berichtgeving hebben inmiddels meerdere Rijswijkse raadsfracties schriftelijke vragen gesteld aan het college van burgemeester en wethouders.

De fracties van PRO Rijswijk, DENK/PG&R en D66 Rijswijk stelden op 14 augustus gezamenlijk vragen over het mogelijke stopzetten van aangepast leerlingenvervoer. Daarnaast heeft ook de fractie van Beter voor Rijswijk, namens raadslid Remco Nunnikhoven, een afzonderlijke reeks schriftelijke vragen ingediend over dezelfde kwestie.

Aanleiding zijn signalen van ouders dat hun kinderen vanaf het nieuwe schooljaar mogelijk niet langer gebruik kunnen maken van het leerlingenvervoer naar de ENBS. Het gaat om leerlingen met autisme voor wie zelfstandig reizen of reizen met het reguliere openbaar vervoer niet vanzelfsprekend is. Ouders vrezen dat hun kinderen hierdoor na de zomervakantie niet naar school kunnen.

De kwestie kreeg de afgelopen weken publieke aandacht. Het AD berichtte op 8 augustus over ouders die radeloos zijn vanwege het mogelijk wegvallen van het vervoer. Op 13 augustus besteedde ook Omroep West aandacht aan de zorgen van ouders van leerlingen met autisme.

Zorgen
De algemene teneur van de vragen van de verschillende fracties is dat het leerlingenvervoer niet uitsluitend vanuit afstand of een formeel vervoerscriterium mag worden beoordeeld. Volgens de indieners moet vooral worden gekeken naar wat een individuele leerling daadwerkelijk nodig heeft om toegang te hebben tot passend onderwijs.

Voor kinderen met autisme kunnen structuur, voorspelbaarheid, een vaste reisroute en prikkelarme omstandigheden van groot belang zijn. Een geografisch dichterbij gelegen school of een theoretische mogelijkheid om met het openbaar vervoer te reizen, hoeft daarom volgens de fracties niet automatisch een reëel alternatief te zijn.

Daarmee staat de toepassing van het criterium van de ‘dichtstbijzijnde toegankelijke school’ centraal. De fracties willen duidelijkheid over de manier waarop de gemeente bepaalt of een andere school daadwerkelijk toegankelijk en passend is voor een specifieke leerling. Zij wijzen erop dat ook binnen de categorie cluster 4-scholen belangrijke verschillen bestaan en dat niet iedere school geschikt hoeft te zijn voor iedere leerling met autisme.

De raadsleden willen daarom weten hoe de gemeente de specifieke ondersteuningsbehoefte van kinderen meeweegt en in hoeverre daarbij informatie wordt gebruikt van ouders, de huidige school, het samenwerkingsverband en andere deskundigen.

Waarom verandert de situatie?
Een belangrijk punt in de vragen is de constatering dat leerlingen die eerder wel gebruik konden maken van het vervoer, daar vanaf het nieuwe schooljaar mogelijk niet meer voor in aanmerking komen. Volgens de betrokken ouders zijn hun omstandigheden niet wezenlijk veranderd.

De fracties willen daarom weten of de gemeentelijke verordening of beleidsregels daadwerkelijk zijn gewijzigd. Als dat niet het geval is, willen zij weten wat er dan precies is veranderd in de interpretatie of toepassing van de bestaande regels.

Ook wordt het college gevraagd duidelijkheid te geven over de juridische en gemeentelijke grondslag van de beslissingen. De fracties willen inzicht in de criteria die worden gebruikt om te bepalen welke school voor een leerling als passend en als dichtstbijzijnde toegankelijke school geldt.

Daarbij is ook de vraag aan de orde of de gemeente voorafgaand aan de wijziging voldoende heeft onderzocht wat de gevolgen voor de betrokken kinderen zijn. De fracties vragen onder meer naar het aantal leerlingen dat door de verandering wordt geraakt en, specifieker, naar het aantal leerlingen met autisme of een vergelijkbare ondersteuningsbehoefte.

Thuiszitten
De politieke partijen zien een reëel risico dat kinderen door het wegvallen van aangepast vervoer niet of niet tijdig op school kunnen komen. Een beroep op het openbaar vervoer is volgens hen niet voor ieder kind een haalbare oplossing.

De fracties willen dat het college expliciet rekening houdt met situaties waarin een leerling vanwege zijn of haar beperking niet zelfstandig of verantwoord met het openbaar vervoer kan reizen. Het uitgangspunt dat een leerling met het openbaar vervoer naar school zou kunnen, mag volgens de indieners niet uitsluitend theoretisch worden beoordeeld.

Daarmee raakt de kwestie volgens de partijen rechtstreeks aan het recht op passend en toegankelijk onderwijs. Als vervoer noodzakelijk is om een kind daadwerkelijk naar een passende school te laten gaan, kan het stopzetten daarvan immers verder gaan dan alleen een vervoerskwestie.

Oplossing
Een ander terugkerend thema in de vragen is de positie van de ouders. De fracties willen weten wanneer ouders zijn geïnformeerd, hoe zij bij de besluitvorming zijn betrokken en of zij daadwerkelijk de gelegenheid hebben gehad om hun situatie en de ondersteuningsbehoefte van hun kind toe te lichten.

Ook de bezwaarprocedure komt nadrukkelijk aan de orde. De fracties willen weten of betrokken ouders formeel bezwaar hebben kunnen maken en hoeveel bezwaren inmiddels zijn ingediend. Tegelijkertijd vragen zij het college om niet uitsluitend af te wachten tot formele procedures zijn afgerond, maar op korte termijn met ouders en de ENBS in gesprek te gaan over een praktische oplossing.

Voor de betrokken kinderen is immers vooral van belang dat zij bij de start van het nieuwe schooljaar daadwerkelijk naar school kunnen.

Handhaven
Zowel de gezamenlijke vragen van PRO Rijswijk, DENK/PG&R en D66 Rijswijk als de vragen van Beter voor Rijswijk bevatten een duidelijke oproep om te voorkomen dat kinderen tijdens de lopende discussie zonder vervoer komen te zitten.

De fracties vragen het college daarom om het bestaande vervoer voorlopig te handhaven zolang bezwaarprocedures en gesprekken over een passende oplossing nog lopen. Daarmee willen zij voorkomen dat kinderen bij aanvang van het nieuwe schooljaar noodgedwongen thuis komen te zitten terwijl de discussie over hun vervoersvoorziening nog niet is afgerond.

Daarnaast vragen de partijen om de gemeenteraad tijdig te informeren over de uitkomsten van gesprekken en bezwaarprocedures en over de manier waarop voor de betrokken leerlingen uiteindelijk een passende vervoersoplossing wordt geregeld.

Nieuwe regels
De politieke aandacht richt zich niet alleen op de huidige groep leerlingen. De gezamenlijke fracties van PRO Rijswijk, DENK/PG&R en D66 Rijswijk wijzen ook op de voorgenomen nieuwe verordening leerlingenvervoer. Zij willen dat de gemeente bij het opstellen daarvan lessen trekt uit de huidige situatie en regels opneemt die vergelijkbare problemen in de toekomst voorkomen.

Daarbij gaat het volgens de fracties om een bredere beoordeling dan alleen de afstand tussen de woning en school. De daadwerkelijke passendheid van het onderwijs, de ondersteuningsbehoefte van het kind en de vraag of een leerling de school daadwerkelijk kan bereiken, zouden volgens hen nadrukkelijk onderdeel moeten zijn van de beoordeling.

Deze artikelen heeft u misschien gemist