Column: Wegwijs in taal

Column: Wegwijs in taal

Jaren geleden trokken we met een huurauto door het achterland van Portugal. In geen velden of wegen was een tankstation te bekennen. (Het was in de jaren vóór Google Maps. Bovendien betwijfel ik of je daar zelfs nu wel bereik zou hebben.) Met de moed der wanhoop stapte ik uit. Ik had de vraag zorgvuldig voorbereid met behulp van een eenvoudige taalgids “Portugees op reis”. Misschien wisten voorbijgangers het meest nabije tankstation te liggen? Ze wezen: linksaf, dan rechts en een stukje doorrijden. Ook die begrippen herkende ik. Vlak naast een geel geverfd woonhuis vonden we inderdaad een benzinepomp. De vriendelijke bewoner vulde onze tank, we dankten hem uitbundig, hij wenste ons een goede reis – uiteraard alles in het Portugees – en we vervolgden opgelucht onze tocht. Het taalgidsje bood die vakantieweken vaker uitkomst.

Daar moet ik aan denken, deze middag in Stervoorde. Amira en ik kijken elkaar ietwat onzeker aan. Niet precies wetend wat de ander bedoelt. Zij begrijpt mijn vraag niet. En ik haar antwoord niet. Dapper doen we een nieuwe poging. Ik zoek andere woorden, zij doet zichtbaar haar uiterste best om mij te volgen, maar in haar ogen zie ik dat dat nog niet lukt. We gebruiken onze handen om elkaar uit te leggen wat we bedoelen. De hele situatie begint op onze lachspieren te werken. Samen lachen schept een band. Hoewel we nog steeds niet weten wat de ander bedoelt.

Hete thee
Iemand die we allebei kennen, komt naar ons toe. Aangetrokken door onze vrolijkheid. Wat is er zo leuk, vraagt ze aan mij in het Nederlands, aan mijn gesprekspartner in het Arabisch. Zij ratelt woorden en zinnen die mij volstrekt onbegrijpelijk in de oren klinken. En omgekeerd gebeurt dat bij de ander, met mijn taal ook. Al snel is duidelijk wat we beiden bedoelden. Ik haal glazen thee bij de balie. Niets is zo bevorderlijk voor wederzijds begrip als samen nippen aan je hete thee.

Amira woont al langer in Nederland. In een flat op 5 hoog in Steenvoorde. Een jaar of 10, 15 geleden, volgde ze haar man Yusuf naar Nederland. Vanuit hun Noord-Afrikaanse land van herkomst kwamen ze hier terecht. Op zoek naar een beter en veiliger bestaan, voor zichzelf en hun kinderen – de oudste was toen net geboren. Yusuf vond werk in de Rotterdamse haven, in ploegendiensten. Zij schonk hem nog twee zonen, bestiert het huishouden, houdt de kinderen rustig als hij overdag slaap moet inhalen. Soms gaat ze naar de Haagse markt. Omdat het daar goedkoper is en ze er meer producten van haar gading verkopen. Omdat ze er in haar eigen taal inkopen kan doen. Met haar boodschappenkarretje in de bus heen en weer terug. Dan moet ze oppassen dat ze niet teveel meesleept. Vaak voelt ze zich eenzaam.

Naar school
Maar dat begint langzaam te veranderen. Met de komst van nieuwe buren, twee deuren verderop. Uit hetzelfde land van herkomst, met jongens van dezelfde leeftijd, die naar dezelfde school gaan als haar eigen kinderen en allemaal van voetbal houden. De mannen kunnen het prima met elkaar vinden, net als de vrouwen. Geregeld komen ze bij elkaar over de vloer.

Dankzij haar buurvrouw komt Amira nu vaker buiten. Ze ondernemen dingen sámen. Voor boodschappen naar de markt, de jongste kinderen van school halen. En we gaan zelf weer naar school, zoals ze lachend vertelt. Ze dacht altijd dat het haar toch niet zou lukken. Omdat je op een gegeven moment gewoon te oud bent om iets te leren. Maar haar buurvrouw zette dóór. Kom, zei ze. Nu gaan ze sámen naar de taallessen. Omdat het toch wel heel handig is als je je kunt uitdrukken in de taal van het land waar je woont. De laatste les praatten ze over waar je woont. Ze wijst: hier meteen links, dan rechtsaf en een stukje verderop staat de flat waar ik woon.

Barbara Schilperoort

Deze artikelen heeft u misschien gemist